• Boek. Pagina 81✍️
    Opdracht 6
    Post your answer below:

    12 Comments
    • Ik heb een zwart katje.
      Ik heb een zwarte kat.
      Jij rijdt het wilde paard.
      Zij bouwen een duur huis.
      Wij kopen de verse groenten.
      Jullie zoeken de leuke kleding.
      Ik bak een lekkere taart.
      Zij maakt de viese auto schoon.
      Zij willen de prettige bloemen.
      Ik wil een groot raam.
      De kat klimt een hoge boom.
      Hij draagt een warme jas.
      Zij kijken naar de…Read More

    • 1. Ik aai een grote hond.
      2. Jij wast het blauwe overhemd.
      3. Hij maakt smakelijk broodjes.
      4. Zij draagt kleurrijke jassen.
      5. Wij runnen succesvol bedrijf.
      6. Jullie hebben een goed excuus.
      7. Zij verven een oude kast.
      8. Een politieagent redt de gewonde jongen.
      9. Werknemers schrijven saai document.
      10. De boer oogst veel appels.
      11. De…Read More

    • 1. Ik bedenk een goed idee.
      2. We spelen leuke tafelspelen.
      3. Je neemt de heerlijke taart.
      4. Ze verblijven in het luxe hotel.
      5. Hij wandelt in de hoge bergen.
      6. Ze heeft een jaloerse vriend.
      7. Jullie kijken een beroemde opera.
      8. Ik woon in de groene straat.
      9. Je krijgt een belangrijke brief.
      10. U maakt een koude soep.
      11. Hij strijkt…Read More

    • 1- Ze draagt een kort broekje.
      2- Hij heeft de grote slaapkamer.
      3- Zij zijn gelukkig kinderen.
      4- Ik woon in de mooi land.
      5- Zij leest het dikke boek.
      6- Ze heeft een kleine hond.
      7- Jullie kijken een lange film.
      8- je maakt een heerlijk eten.
      9- Hij werkt in een belangrijke functie.
      10- Ik koop een kleurrijke jurk.
      11- ik heb blond haar.
      12- ik…Read More

    • 1. Ik heb een zwarte tas
      2. Ik zie mooie bloemen
      3. Hij koopt een nieuwe auto
      4. Zij kookt lekker eten
      5. Ik lees een interessant book
      6. Het is een leuke dag
      7. Hij heeft een kleine hond
      8. Jullie hebben een groot huis
      9. Wij willen een snelle auto
      10. Het is een warme jas
      11. De jongen heeft een rode bal
      12. Hij heeft vieze handen
      13. Ik…Read More

    • 1. Ik heb een mooie hond.
      2. Jij weet het kleine kind.
      3. Het is een warm weer.
      4. Wij hebben een nieuwe fietsen.
      5. Zij maakt het moeilijke huiswerk.
      6. Ik heb een mooie moeder.
      7. Jullie zingen een goed lid.
      8. Wij zijn het beste team.
      9. Jij geeft een goede les.
      10. Zij is de kleine dochter.
      11. Wij spelen interessant spel.
      12. Jullie maken…Read More

    • 1. Je koopt een mooie broek.
      2. Hij stuurt een goed rapport.
      3. Wij koken een zoete taart.
      4. Jullie verkopen de roze bloemen.
      5. Ik drink het bittere sap.
      6. U maakt een moeilijk huiswerk.
      7. Zij willen een groot huis.
      8. Zij vraagt een interessante vraag.
      9. Je kijkt een vreemde film.
      10. Ik heb een klein appartement.
      11. Hij leest het oude…Read More

    • 1. Jullie hebben een belangrijk werk.
      2. Mike zingt een mooi lied.
      3. Zij draagt een dure jurk.
      4. Ik hou van sterke bieren.
      5. Wij maken heerlijk eten.
      6. Hij koopt goedkope dingen.
      7. Jij hebt een blauwe auto.
      8. U rijdt op een snelle fiets.
      9. Zij zijn lieve vrienden.
      10. Ik heb een kleine broer.
      11. Wij houden van gelukkige eindes.
      12. U vragt…Read More

    • 1. Jij pakt drie witte hemden.
      2. Jullie dansen op mooie muziek.
      3. Zij spreekt mooi Nederlands.
      4. Hij betaalt een groot bedrag.
      5. U heeft een vieze hond.
      6. Ik heb bruin haar.
      7. Wij lezen een lang boek.
      8. Zij rijden naar een grote stad.
      9. Jij eet een kleine taart.
      10. De jongen gooit een stinkende sok.
      11. De baas geeft leuke cadeaus.…Read More

    • Jij hebt een vervelend vriend
      Jullie hebben droge handen
      wij hebben afschuwelijke nieuws
      Jij hebt een speciaal beroep
      zij kijken positiefe houding
      hij kennen een leuk kind
      jullie hebben het leege glas
      Willem nemt koude douche
      Jullie kennen een veilige wegen
      hij heeft het rijke ouders
      Theo dragt de lichte tas
      hij heeft de onaardig collega’s…Read More

      • 1.zij is een zwak meisje
        2.jij hebt een schoon huis
        3.jij bent de slimme jongen
        4.ik vind het koude weer leuk
        5.het is een belangrijk onderwerp
        6.ik heb een mooie kat
        7.hij is een strenge man
        8.jullie hebben een groot appartement
        9.jij neemt mijn nieuwe boek
        10.zij wil jouw oude fiets
        11.hij is een korte jongen
        12.het is een snelle auto
        13.zij…Read More

  • Boek. Pagina 80✍️
    Opdracht 4
    Post your answer below:

    12 Comments
    • 1. ren Ik langzaam?
      2. Lees jij verward?
      3. Kmot hij vroeg?
      4. Draagt zij mooi?
      5. Eten wij gezond?
      6.Werken jullie druk?
      7. Klimmen jullie hoog?
      8. Springen zij ver?
      9. Spreek ik luid?
      10. Oefen jij vaak?
      11. Kookt hij goed?
      12. Tekent zij precies?
      13. Ademen vissen vrij op het land?
      14 . Vliegt een kip gemakkelijk?
      15 . Regent het zwaar?

    • 1. Rijd je snel?
      2. Kookt ze goed?
      3. Praten ze hard?
      4. Wordt het water koud?
      5. Tekent hij mooi?
      6. Antwoorden we correct?
      7. Loopt u ver?
      8. Lezen jullie vaak?
      9. Werk je laat?
      10. Is het kopje vol?
      11. Slaapt ze kort?
      12. Vinden ze het moeilijk?
      13. Spring ik hoog?
      14. Spelen ze professioneel?
      15. Schijnt de zon sterk?

    • 1- Drink jij rode wijn?
      2- Is hij lang?
      3- Werkt zij snel?
      4-Is dit huis groot?
      5- Spreek je goed?
      6- Slaap je genoeg?
      7- Speelt hij eenzaam?
      8- Zijn we blij?
      9- Sport je genoeg?
      10- Studeer jij goed?
      11- Lees je hardop?
      12- Is hij vrijgezel?
      13- Is ze getrouwd?
      14- Is dat grijs?
      15- Is dit breed?

    • 1. Is de les mogelijk?
      2. Is het huis groot?
      3. Is de bloem blauw?
      4. Ben jij trots?
      5. Slaap jij goed?
      6. Is dat beter?
      7. Is het water koud?
      8. Werk jij laat?
      9. Fiets jij snel?
      10. Willen jullier meer?
      11. Is de vrouw blij?
      12. Is de man boos?
      13. Is de koffie lekker?
      14. Praat zij luid?
      15. Is de keuken schoon?

    • 1. Zwem ik langzaam?
      2. Is hij boos?
      3. Gaat u laat?
      4. Rennen jullie snel?
      5. Kookt hij lekker?
      6. Slaapt je goed?
      7. Lezen jullie veel?
      8. Is hij dik?
      9. Kiest hij wijs?
      10. Bak ik slecht?
      11. Werkt u ver?
      12. Is zij klein?
      13. Ben je moe?
      14. Praat zij duidelijk?
      15. Is hij getrouwd?

    • 1. Zijn wij lelijk?
      2. Spring jij hoog?
      3. Voelt u jong?
      4. Is hij sterk?
      5. Voelen jullie moe?
      6. Rijd ik snel?
      7. Is de auto zwart?
      8. Zingen zij goed?
      9. Spreek ik hardop?
      10. Slapt zij rustig?
      11. Waarom is hij boos?
      12. Is de buurman vriendlijk?
      13. Zijn zij anders?
      14. Is het hemd duur?
      15. Is Nederlands makkelijk?

    • 1. Spreekt u langzaam?
      2. Fietsen jullie ver?
      3. Loop jij vaak?
      4. Zwimt hij goed?
      5. Rekent zij snel?
      6. Speel jij eerlijk?
      7. Eet jij lekker?
      8. Springen zij hoog?
      9. Groeien de planten goed?
      10. Leert de student correct?
      11. Zingt het meisje mooi?
      12. Danse ik goed?
      13. Werken wij buiten?
      14. Is de man vervelend?
      15. Slaapt de vrouw deep?

    • 1. Werkt zij snel?
      2. Is hij lang?
      3. Ben ik groot?
      4. Speel u goed?
      5. Hardloop jij snel? Ren jij snel?
      6. is het huis mooi?
      7.is mijn baas aardig?
      8. Heb ik een leuke baas?
      9. Koken jullie lekker?
      10. Drink jij witte wijn?
      11. Eet jij lekkere fruit?
      12. Is mijn huis schoon?
      13. Hebben zijj schoon huis?
      14. Hebben zij aardige auto?
      15. Dansen…Read More

    • is hij lang?
      is hij klein?
      is soep lekker ?
      is kamer groot?
      denk jij snel?
      runt meisje snel?
      zijn Man leuk?
      is jouw glas vol?
      ruikt eten heerlijk?
      is Nederlands moelijk ?
      zijn Buurman leuk?
      zijn Anna moeder lief?
      zijn vriend dom?
      Willen jullier meer?
      Werken wij buiten?

      • 1.Zijn zij rijk?
        2.Is het koud?
        3.Is hij leuk?
        4.Heb je honger?
        5.Is het huis goedkoop?
        6.Zijn zij snel?
        7.Is de soep warm?
        8.Is de les moeilijk?
        9.Ben je boos?
        10.Is het gebouw laag?
        11.Zwem je goed?
        12.Zijn zij blij?
        13.Ben je nu beschikbaar?
        14.Is de kamer groot?
        15.Ben ik kort?

  • Dutchbook huiswerk:✍️
    Opdracht: Vragen stellen 4.
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    9 Comments
    • 1. Welke bushalte is dichtst bij het ziekenhuis?
      2. Hoe laat begint de school?
      3. Waneer heb je je afspraak?
      4. Welke kleur heeft je nieuwe broek?
      5. Waar is je auto?
      6. Wie is deze vrouw?

    • 1. Bij welke halte moet ik uitstappen?
      2. Hoe laat begint de school.
      3. Op welke dag is jouw afspraak met de dokter?
      4. Welke kleur heeft jouw nieuwe broek?
      5. Waar staat je auto?
      6. Wie is deze vrouw?

    • 1- Welke bushalte ligt dicht bij het ziekenhuis?
      2- Hoe laat begint de school?
      3-Waneer is je afspraak?
      4-Welke kleur is jouw nieuwe broek?
      5-Waar staat je aurto?
      6-Wie is deze vrouw?

    • 1. Welke bushalte moet ik uitstappen voor het ziekenhuis?
      2. Hoe laat begint de school?
      3. Wanneer is jouw afspraak met de dokter?
      4. Welke kleur heb jouw nieuwe broek?
      5. Waar staat je nieuwe auto?
      6. Wie is deze vrouw?

    • 1. Op welke bushalte moet ik uitstappen naar het ziekenhuis?
      2. Hoe laat begint de school?
      3. Wanneer is jouw afspraak met de dokter?
      4. Welke kleur heeft jouw nieuwe broek?
      5. Waar staat jouw auto?
      6. Wie is die vrouw?

    • 1. Op welke bushalte moet ik uitstappen naar het ziekenhuis?
      2. Hoe laat begint de school?
      3. Wanneer is jouw afspraak met de dokter?
      4. Welke kleur heeft jouw nieuwe broek?
      5. Waar staat jouw auto?
      6. Wie is die vrouw?

    • 1. Welke bushalte moet ik uitstappen voor het ziekenhuis?
      2. Hoe laat begint mijn school?
      3. Welke datum is jouw afspraak?
      4. Welke kleur heeft jouw nieuwe broek?
      5, Waar staat jouw auto?
      6. Wie is zij?

      • 1.Waar moet ik uitstappen voor het ziekenhuis?
        2.Hoe laat begint de school?
        3.Wanneer is jouw afspraak met de dokter?
        4.Wat is de kleur van jouw nieuw broek?
        5.Waar staat jouw auto?
        6.Wie is zij?

  • Load More Posts