• Boek. Pagina 95👍
    Opdracht 5
    Post your answer below:

    13 Comments
    • 1. Jij hebt geen sprookjesboek.
      2. Ik heb geen koffie.
      3. U heeft geen kinderen.
      4. Jullie hebben geen lucifers.
      5. Hij heeft geen luchtbed.
      6. Zij heeft geen oorbellen
      7. We hebben geen nieuw bestek.
      8. Sanne heeft geen laptop.
      9. Veel mensen hebben geen verbeelding.
      10 Ik heb geen zin.

    • 1. Ik heb geen fiets.
      2. Ik heb geen pen.
      3. Ik heb geen appel.
      4. Ik heb geen huiswerk.
      5. Ik heb geen klock.
      6. Zij heeft geen book.
      7. Ze hebben geen kind.
      8. Jullie hebben geen afspraak.
      9. Het heeft geen pot.
      10. Hij heeft geen tuin.

    • 1. Ik heb geen vrouw.
      2. Jij hebt geen antwoord.
      3. U hebt geen kansen.
      4. Hij ziet geen films.
      5. Zij draagt geen bril.
      6. De werkers hebben geen vakanties.
      7. Zij hebben geen idee.
      8. Jullie hebben geen broepen.
      9. Uw vrouw spreekt geen Nederlands.
      10. Wij lezen geen boeken.

    • 1. De klant heeft geen klantenkaart.
      2. Wij hebben geen boeken.
      3. Zij heeft geen geld.
      4. De deur heeft geen deurknop.
      5. Het kind heeft geen speelgoed.
      6. Ik heb geen pen.
      7. Jij heeft geen kinderen.
      8. De man heeft geen vrouw.
      9. De jongen heeft geen fiets.
      10. De winkel heeft geen klanten.

    • 1. Ik heb geen les op zaterdag.
      2. De leidinggevende heeft geen assistent.
      3. Ze heeft geen baan.
      4. We hebben geen geld.
      5. Het centrum heeft geen winkel.
      6. De jongen heeft geen vriendin.
      7. De bus heeft geen chauffeur.
      8. Het bed heeft geen kussen.
      9. De computer heeft geen muis.
      10. Het huis heeft geen badkamer.

    • 1. Ik heb geen collega.
      2. Jij hebt geen water.
      3. Zij hebben geen kinderen.
      4. Wij hebben geen goud.
      5. Jullie hebben geen werk.
      6. De manager heeft geen werknemer.
      7. Mijn moeder heeft geen rekening.
      8. De jongen heeft geen idea.
      9. Zij hebben geen messen.
      10. De koelkast heeft geen groenten.

    • 1. De student heeft geen auto.
      2. Wij zijn geen kinderen
      3. Ik ben geen arts.
      4. Jij hebt geen paard.
      5. Zij heeft geen tas.
      6. Anna is geen bibliothecaresse.
      7. Jullie hebben geen jobs
      8. Zij heeft geen man.
      9. De auto heeft geen wielen.
      10. De huisdier is geen hond.

    • 1. Hij heeft geen auto.
      2. Het meisje heeft geen sap.
      3. De woonkamer heeft geen bed.
      4. Ik heb geen hond.
      5. De winkel heeft geen jassen.
      6. Het huis heeft geen slaapkamer.
      7. De stad heeft geen bank.
      8. Zij hebben geen huis.
      9. De jongen heeft geen bal.
      10. U hebt geen boek.

    • 1. Ik heb geen idea
      2. Jij hebt geen eten
      3. U hebt geen tijd
      4. Hij heeft geen haar
      5. De vrouw heeft geen kinderen
      6. De boer heeft geen kippen
      7. Zij heeft geen geld
      8. Wij hebben geen televisie
      9. Jullie hebben geen auto
      10. Zij hebben geen electriciteit

    • Ik heb geen boek.
      Jij hebt geen hond.
      U heeft geen geld.
      Hij heeft geen baan.
      Zij heeft geen jas.
      Het heeft geen toekomst.
      Wij hebben geen kantoor.
      Jullie hebben geen huis.
      Zij hebben geen vrienden.
      Ik heb geen afspraak.

    • 1. Zij heeft geen krant.
      2. Ik heb geen koffie.
      3. Hij heeft geen blond haar.
      4. Ze heeft geen lange zwarte jurk.
      5. Ik heb geen suiker en geen melk in de koffie.
      6. Hij is geen zanger.
      7. We zijn geen buren.
      8. Ze hebben geen auto-ongeluk.
      9. Jullie hebben geen horloges.
      10. Wij hebben geen koelkast thuis.

    • 1. Ik heb geen huis.
      2. Hij heeft geen fiets.
      3.Zij heeft geen computer.
      4. Jullie heeben geen dier.
      5. Zij heeft geen slaapkamer.
      6. Zij hebben geen kind.
      7. Wij hebben geen auto.
      8. Hij heeft geen potlood.
      9. Ik heb geen nachtkastje.
      10. Jullie hebben geen koffiezetapparaat.

    • 1. Ik heb geen melk.
      2. Hij heeft geen winkel.
      3. Ik ben geen leraar.
      4. Zij zijn geen buurmannen.
      5. Jullie hebben geen hoeden.
      6. Jij bent geen ingenieur.
      7. Zij is geen zangeres.
      8. Zij hebben geen huis.
      9. Het is geen rok.
      10. Zij heeft geen huisdier.

  • Dutchbook huiswerk (homework):👨‍🎓

    Fill in: hebben of zijn?

    1. Ik ………… een mens.
    2. Jij ..………… een hond.
    3. Zij ………….. een fiets.
    4. Hij ….………. Philippe.
    5. Philippe .………….. een leraar.
    6. Philippe ..………… een hond.
    7. Philippe ..………… een huis.
    8. Het huis …………… een deur.
    9. Zij ….………… kinderen…Read More

    17 Comments
    • 1.I ben een mens.
      2.Jij hebt een hond.
      3.Zij heeft een fiets.
      4.Hij is Philippe.
      5.Philippe is een leraar.
      6.Philippe heeft een hond.
      7.Philippe heeft een huis.
      8.het huis heeft een deur.
      9.Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11.Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts

    • 1. Ik ………… een mens. — BEN
      2. Jij ..………… een hond. — HEBT
      3. Zij ………….. een fiets. — HEEFT
      4. Hij ….………. Philippe. — IS
      5. Philippe .………….. een leraar. — IS
      6. Philippe ..………… een hond. — HEEFT
      7. Philippe ..………… een huis. — HEEFT
      8. Het huis …………… een deur. — HEEFT
      9. Zij ….………… kinderen. — HEEFT
      10. Wij ……………..studenten. — ZIJN of HEBBEN…Read More

      • 1. Zij is een moeder.
        2. Hij is een buurman.
        3. Ik ben en vrouw.
        4. Jullie hebben twee jongens.
        5. Jij bent een man.
        6. Zij zijn mensen.
        7. De hond is klein.
        8. De man heeft een fiets.
        9. Ik heb een kind.
        10. Zij hebben twee kats.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn/hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1.. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • Dutchbook huiswerk (homework):✍️
      Opdracht 2
      Fill in: hebben of zijn?

      1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent…Read More

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.

      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij heeft een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts

  • Dutchbook huiswerk (homework):👨‍🎓

    Make 10 sentences with -hebben / zijn-.

    Please post your sentences below:

    16 Comments
    • 1. Het kind heeft een ding
      2. De keuken heeft een tafel
      3. Een stoel heeft een arm
      4. Een hond is een dier
      5. De werknemer heeft een werkgever
      6. Hij is een collega
      7. Ik heb een afspraak
      8. Zij heeft de telefoon
      9. Wij hebben een auto
      10. De kamer heeft een bed

    • Ik ben een vrouw
      Hij heeft een appel
      Zij is een student
      De aap heeft een aardbei
      Hij heeft een baard
      Wij zijn ingenieurs
      Jullie hebben geld
      Jij hebt een auto.
      Ik heb een vakantie.
      Wij hebben computers.

    • 1. De pop heeft een kin.
      2. De vrouwen hebben een ring.
      3. De fles is groen.
      4. Ik ben een student.
      5. Jij hebt twee kommen.
      6. Wij zijn in een tunnel.
      7. U niet hebt geen dekbed.
      8. Mijn rug heeft pijn.
      9. Zij zijn jongens.
      10. De huisen hebben spinnen.

    • 1.Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4.Hij is Philippe.
      5.Philippe is een leraar.
      6.Philippe heeft een hond.
      7.Philippe heeft een huis.
      8.Het huis heeft een deur.
      9.Zij zijn kinderen.
      10.Wij zjin studenten.
      11.Jij bent een vrouw.
      12.U bent een huisarts.

      • 1. Ik heb een tafel.
        2. Zij zijn mannen.
        3. Hij heeft een auto.
        4. Zij heeft een fiets.
        5. De fiets heeft twee wielen.
        6. Zij bent kinderen.
        7. Jij bent meisjes.
        8. De meisjes zijn klein.
        9. Jij hebt een huis.
        10. Jij bent een jongen.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Jij bent een man
      3. Zij is een moeder
      4. Wij zijn studenten
      5. Zij zijn kinderen
      6. ik heb een pen
      7. Jij hebt een potlood’
      8. Hij heeft een hond
      9. Jullie hebben een cursus
      10. Wij hebben de sleutels

    • 1. Ik heb geen huis
      2. hij heeft een pen
      3. wij hebben kinderen
      4. hij is een leraar
      5. Zij is een vrouw
      6. Wij zijn moe
      7. Zij heeft een auto
      8. Zij zijn studenten
      9. Zij hebben een restaurant
      10. u heeft een huis

    • Ik ben een ingenieur
      Hij heeft een tafel
      Zij is een lerares
      Wij hebben een les
      De Dochter heeft het computer
      De Steden zijn oud
      Ik ben een zoon
      Zij lezen het boek
      Hij kookt de eend
      De opdracht is moeilijk

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Zij is een meisje.
      3. Jij bent een vrouw.
      4. Wij zijn studenten.
      5. Lara heeft een TV.
      6. Lars is een jongen.
      7. Zijn hebben een werk.
      8. ik ben een werknemer.
      9. Zij is een werkgever.
      10. Jij hebt een auto.

    • Ik ben een vrouw
      Jij bent een meisje
      Hij is een man
      Zij is een huisarts
      Het is een appel
      Wij zijn gelukkig
      Jullie zijn krant
      Ze zijn mannen
      Ik heb een computer
      Hij heeft een fiets

    • Dutchbook huiswerk (homework):✍️
      Opdracht 3:
      Make 10 sentences with -hebben / zijn-.

      Ik ben een vrouw.
      Hij heeft de kat.
      Wij hebben het kaartje.
      De buurvrouw heeft een zoon.
      Het is een kast.
      Ik heb een afspraak.
      Zij heeft een winkel.
      De oma heeft een hond.
      Jij hebt het geld.
      De koe is een dier.

    • Hij is ziek.
      Zij heeft een laptop.
      De tafel heeft vier poten.
      Ik heb een motor.
      Zij zijn lang.
      Mijn moeder is slim.
      De appel is rood.
      Paula is ingenieur.
      Het huis heeft negen kamers.
      Mikel heeft een kat.

    • ik heb een kind.
      zij heeft een boek.
      mijn vrienden heeft een hond.
      wij hebben een dochter.
      jij hebt een auto.
      ik ben een moeder.
      zij is een huisvrouw.
      u bent een tandarts.
      zij zijn arbeider.
      jullie zijn studenten.

    • 1.Het meisje heeft een appel.
      2.Ik heb een naam.
      3.Hij is de man.
      4.De jongen heeft een kat.
      5.De kind heeft een vriend.
      6.De kamer heeft een raam.
      7.De oma heeft een huis.
      8.Hij heeft een collega.
      9.Jullie zijn kinderen.
      10.Hij is de werkgever.

    • 1. Ik heb een hond
      2. Wij hebben een huis
      3. De man heeft een pen
      4. Zijn heeft een man
      5. Zijn hebben een vriend
      6. Ik ben een mens
      7. Lina is student
      8. Zij is het meisje
      9. Zij Zijn docent
      10. Jij bent goed

    • 1. Ik ben in de keuken
      2. Zij heeft een stoel
      3. U bent een werknemer
      4. Wij hebben fietsen
      5. Zij zijn kinderen
      6. Ik heb een kartje
      7. Jij heebt een werk
      8. Zij hebben een telefoon
      9. Hij heeft twee armen
      10. Ik heb en kow

  • Load More Posts