• DutchCourseEindhoven and DutchCourseEindhoven are now friends

    4 hours, 43 minutes ago

    DutchCourseEindhoven

    @DutchCourseEindhoven

  • Boek. Pagina 40✍️
    Opdracht 4
    Post your answer below:

    liked this
    79 Comments
    • 1. De buur kookt de soep.
      2. Het meisje wacht op de bus.
      3. De koper betaalt de rekening.
      4. De vriendinnen bestellen het eten.
      5. De vader draagt de hoed.
      6. De collega leest het nieuws.
      7. De kat drinkt het water.
      8. De vrouw kijkt TV.
      9. De politieagenten volgen de dief.
      10. De zonen studeren de economie.
      11. De dieren eten het gras.
      12. De…Read More

    • 1. De man eet een appel.
      2. De vrouw heeft het boek.
      3. De buren hebben een auto.
      4. De collega koopt een huis.
      5. Een verkoper bouet een winkel.
      6. Mijn schoonmoeder houdt van de katten.
      7. De burman krijgt bakstenen voor een muur.
      8. De gezin heeft een tuin.
      9. De manen geloven in vrede.
      10. Een ingenieur weet geschiedenissen.
      11. De dames…Read More

    • That explains everything! πŸ™‚

    • 1. Het meisje bak koekjes.
      2. De vrow scrijft een brief.
      3. De jongen plas on het gras.
      4. de man liegt de politieagent.
      5. Mijn zus verhuist uit Eindhoven.
      6. Je broer probeert de wijn.
      7. onze ouders kopen een huis.
      8. Mijn vrienden kiezen de jurk.
      9. Zij kent het verhaal.
      10. De oma kookt de taart.
      11. De opa neemt de bus.
      12. Mijn neef…Read More

    • 1. De vrouw brandt het papier.
      2. De kok snijdt het vlees.
      3. De kinderen houden de konijnen.
      4. Ik krijg een bier.
      5. Jij rekent een geld.
      6. Hij poetst de schoenen.
      7. Wij keijken de film.
      8. De kunsternaar tekent een landschap.
      9. De politie zoekt de inbreker.
      10. De buurvrouw sluit het raam.
      11. Jij helpt de grootmoeder.
      12. De klant betaalt…Read More

    • 1. De moeder maakt het ontbijt
      2. De jongens spellen voetbal
      3. De vrouw knipt haar haar
      4. De dochter helpt de oma
      5. De man rijdt in de auto
      6. Anna heeft een kat
      7. Ik been een student
      8. Yan verkoopt het huis
      9. Wij lezen het boek
      10. Jullie kopen de boodschappen
      11. De vader ziet de kinderen
      12. Anna en Yan zwemmen in de zee
      13. Ik ga naar…Read More

    • 1. De mensen werken en een bar.
      2. Het huis heeft de bloemen.
      3. De auto kost veel geld.
      4. Zij vriend drinkt een bier.
      5. De show komt in augustus.
      6. Het mes knipt het papier.
      7. Het miesje woont in Nijmegen.
      8. De baas helpt de klanten.
      9. Onze moeder bedankt de manager.
      10. Het huisdier slaapt bij het raam.
      11. De tafel is onder de lamp.…Read More

    • 1. Ik ga naar de dokter.
      2. Lisa kookt kip met aardappelen.
      3, De film is niet zo goed.
      4. Jef en Nick zijn collega’s
      5. Carlo heeft taart in de koeling
      6. Dit is mijn liefde boek.
      7. Jan zit in de wachtruimte.
      8. De hoeden zijn van ons.
      9. Stef vindt Anna heel mooi.
      10. Rik is op vakantie.
      11 Emma is gek op flamingo’s.
      12. Sem loopt naar het…Read More

    • 1. De hond bijt de man
      2. De vrouw rookt een sigaret
      3. De dokter onderzoekt twee patiΓ«nten
      4. De vogel eet een worm
      5. Het meisje schopt de bal
      6. Een kat jaagt een muis
      7. De mensen zingen een lied
      8. De mannen varen op een boot
      9. De jongen speelt tennis
      10. De vriend koopt een fles wijn
      11. De toerist maakt een foto
      12. De muzikant speelt…Read More

    • 1. De ouders missen het huis.
      2. De vrouw schrijft een brief.
      3. De buurman praat met de politie.
      4. De klanten betaalt de aankoop.
      5. Een meisje slaapt in het bed.
      6. De jongen speelt voetbal.
      7. De vader kookt het avondeten.
      8. De kinderen maken het huiswerk.
      9. De baas spreekt met de werknemer.
      10. De vrouw koopt een jurk.
      11. De man zit in een…Read More

    • De man bouwt een huis
      De vrouw neemt het boek
      de man heeft een auto
      Het meisje begrijpt de text
      Het kind kijkt een film
      De jongen maakt een foto
      De man woont en Eindhoven
      Phillipe drinkt een bier
      De Kinderen spelen een piano
      Cornelius helpt de man
      Chigo doet het huiswerk
      De vrouwen koken een ei
      De vriend leest een krant
      Het meisje spelt een voetbal

    • 1. De vrouw betaalt de huur.
      2. Het kind speelt voetbal.
      3. De jongen spreekt engels.
      4. De buurman verkoopt het huis.
      5. De baas stuurt een brief.
      6. De mannen eten aardbeien.
      7. Het meisje heeft een eend.
      8. De man drinkt bier.
      9. De collega bouwt een auto.
      10. De verkoper heeft de sleutels.
      11. De oma’s geven geschenken.
      12. De student leest h…Read More

      • 1.een vriend koopt een fiets
        2.het meisje drinkt de sap
        3.een vrouw kookt een maaltijd
        4.de kinderen spelen voetbal
        5.de studenten lezen boeken
        6.de timmerman gebruikt hout
        7.de docent stelt een vraag
        8.een baby heeft melk nodig
        9.de mannen proeven eten
        10.een jognen kiest een hoed
        11.het meisjes horen de vogels
        12.een vader vindt geld
        13.de boos…Read More

    • 1. De vrouw heeft een hood.
      2. De man heeft een krant.
      3. Het meisje kijkt TV.
      4. Jan werkt vanuit thuis.
      5. Julia heeft twee kinderen.
      6. De kat heeft zwart haar.
      7. Karen speelt met haar kinderen.
      8. De jongen speelt voetbal.
      9. De baby slaapt.
      10. De geit geeft melk.
      11. De vrouw eet een broodje.
      12. Johan heeft een auto.
      13. Opa heeft een…Read More

    • De man kookt de schoen.
      De vrouw leest een krant.
      Het kind heeft een pen.
      De baby is drie maanden.
      Twee meisjes zingen een lied.
      De famillie heeft het huis.
      De oma heeft acht kleinkindren.
      Maurice heeft twaalf studenten.
      De jongen slaapt in de tuin.
      De docent verkoopt vier boeken.
      Het kind poetst een tand.
      Anna stuurt een cadeau.
      De politie houdt…Read More

    • 1. Anna heeft een huis,
      2, Een gezin eten vis.
      3. Werknemers werk op het kantoor.
      4. Een kind spelt met jullie dog.
      5. Studenten leren Nederlands.
      6. Peter en Jos praten Engels,
      7. Een man gaat naar thuis,
      8. De oma kokt vlees.
      9. Vrouwen gaan naar de bioscoop.
      10. Vrienden lezen het menu,
      11. Een opa heeft boeken.
      12. De ouders kopen de…Read More

    • 1. Het meisje kijkt een film
      2. De jongen stuurt een kus
      3. Het kind heeft vrienden
      4. De kinderen luisteren het verhaal
      5. De vrouw sluit de raam
      6. De mensen begrijpen de les
      7. Een hond houndt het eten
      8. De kat eet de muis
      9. De dochter rekent de rekening
      10. De vader rijdt een paard
      11. De zoonen helpen de moeder
      12. Het schaap drinkt…Read More

    • 1. De vader drinkt wijn.
      2. De jongen heeft een hoed.
      3. De gezin is gelukkig.
      4. De moeder heeft het bedrijf.
      5. De assistent is snel.
      6. De buurman koopt een hond.
      7. De vader kijkt tv.
      8. Zij willen een hond.
      9. Het meisje moet eet.
      10. Het meisje kookt een kipfilet.
      11. De werk is moeilijk.
      12. De moeder tekent een papier.
      13. Het meisje…Read More

    • 1. De man koppt een winkel.
      2. De kind eet fruit.
      3. De leraar leest een boek.
      4. De opa verkoppt een huis.
      5. De vrouw heeft een hond.
      6. De moeder rijdt op een fiets.
      7. De vader kookt een cake.
      8. De verkoper verkoopt een tafel.
      9. De werkgever huurt een werknemer.
      10. Mijn zus kijkt TV.
      11. De boer heeft tien koe’s.
      12. De politie arresteer…Read More

    • De student schrijf the huiswerk.
      Maria noemt the belastingdienst.
      Ik en Razieh bijwonen een zitting.
      Mijn vrinden woonen in een groot huis.
      Het huis heeft twee kamers.
      De albert heijn verkopt bessen.
      7. De moeder kust de jongen.
      8. The zoon heeft een speelgoedauto.
      9. Het kind speelt bij de bal.
      10. Amir koopt een auto.
      11. Zij wasst the…Read More

    • 1. De vrouw ruikt de bloem.
      2. De jongen vervoert de tas.
      3. De kinderen genieten de tijd.
      4. Ik ontvang een brief.
      5. De leraren sturen huiswerk.
      6. De studenten snappen de les.
      7. Het meisje ziet een schilpad.
      8. Zij kusst haar vriend.
      9. Mijn oom geeft de sleutels.
      10. De medewerker kiest een eten.
      11. De kleinzoon bezoekt zijn oma.
      12. De…Read More

    • 1. Het kind eet de appels.
      2. De opa voedt de vogels.
      3. De jongens spelen voetbal.
      4. Het meisje rijdt de auto.
      5. De collega’s lezen een krant.
      6. De mannen helpen de oma.
      7. De kinderen zingen een gedicht.
      8. De buurmannen kopen een huis.
      9. De vrouw kookt de maaltijd.
      10. Een jongen verkoopt de kaartjes.
      11. Het kind ziet de vissen.
      12. De…Read More

    • De jongen heeft een pen.
      Het meisje wast de pan.
      De vrouw heeft een kam.
      De man vertelt de waarheid.
      Maria schildert de muur.
      Peter maakt de salade.
      Sara betaalt de rekening.
      De buschauffeur drijft de bus.
      De trein verlaat het station.
      Het kind gooit de bal.
      De speler maakt het doel.
      De grootmoeder slaapt op de bank.
      Zij kijken een film.

    • 1. De buurman gelooft geest.
      2. De leraar vergeet de lezing.
      3. Mijn vader en moeder missen de train.
      4. De slager slacht een hond.
      5. Wij drinken geen vodka.
      6. Ik trek een deur.
      7. Hij rook een sigaret.
      8. Zij eten een ei.
      9. De docent betaalt een huis.
      10. Jullie kijken naar hem.

    • 1.De vrouw begrijpt de leraar
      2.De man zoekt de pen
      3.Een kind koopt milk
      4.De opa drinkt een kopje koffie
      5.De jongen zegt een lied
      6.Zij hoort de musiek
      7.Hij speelt voetbal
      8.Het meisje snijdt een appel
      9.De vader opent de deur
      10.De huisart stelt vragen
      11.De buurvrouw brengt de tas
      12.Werkgever betaalen salaries
      13.De moeder eet het…Read More

    • 1. Anna heeft een idee
      2. Het meisje is een huisarts dichtbij
      3. De kind kijkt een film
      4. De vrouw is een student
      5. Een huis heeft een dak
      6. De kind zoekt de bril
      7. De vrouw eet een appel
      8. Jij helpt een man
      9. De jong leest een boek
      10. De man sluit de deur
      11. De gezin heeft een auto
      12. De vader drinkt…Read More

    • Een man zoekt een hound
      De kind heeft de boek
      De man heeft een huis
      Zij heeft een fiets
      De moeder rijdt de fiets
      Een meisje zoekt de pop
      Een jongen hebben een candy
      Een moeder heeft een auto
      Een man won de staatsloterij
      De man kijkt de television

    • 1. De student leest een boek
      2. De vrouw kookt vles
      3. De mannen genezen het kind
      4. Het kind belt de buurman
      5. De zus krijgt een korting
      6. De leraar luistert naar muziek
      7. Het gezin kijkt de TV
      8. De vriend drinkt bier
      9. De man opent de winkel
      10. De werkers tekenen het huis
      11. De kinderen begrijpen de docent
      12. De moeder poetst de…Read More

    • 1. De vrouw bestelt een huis
      2. Lina heeft pennen
      3. Zij neemt een boek
      4. Hij Krijgt een auto
      5. ik wil de fiets

    • 1. De man leest een boek
      2. De moeder kookt het diner
      3. Het kind maakt huiswerk
      4. De meisjes eten de boterhammen
      5. De opa ziet de kleinzoon
      6. De jongen heeft een hond
      7. De vrouw koopt een fiets
      8. De oma wil een tas

    • 1. De student schrijft de zinnen
      2. Anna leest het boek
      3. de mensen eten brood
      4. jullie begrijpen de tekst
      5. hij koopt de tickets
      6. zij vinden het huis
      8. Willem gebruikt de pen
      9. de leraar vertelt een verhaal
      10. ik bak de koekjes

    • 1. De vrouw eets een appel.
      2. De jongen heeft een gezin.
      3. Het meisje heeft een kind.
      4. De meisjes hebben kinderen.
      5. De vader heeft een dochter.
      6. Het gezin heeft een oma.
      7. De jongen is een kind.
      8. Het meisje is een arts.
      9. De moeder bouwt een huis.
      10. Het meisje heeft een boek.
      11. Het gezin eets een brood.
      12. De moeder koopt een…Read More

    • 1. Hij verkoopt de auto
      2. De kinderen spelen een spelletje
      3. Jullie begrijpen de les

      4. Zij koopt een jurk
      5. Ik spreek vier taalen
      6. Jij bakt een cake
      7. De mennen nemen een bus
      8. Ik poets de slaapkamer
      9. Hij drinkt het sap
      10. Jij opent de raam
      11. Zij blijft thuis
      12. Hij heeft een probleem
      13. Zij maken een presentatie
      14. Ik geef…Read More

    • 1. Anna prat met vriend.
      2, Ik slaap in bed.
      3. De oma stuurt een brief
      4. De kinderen eten maaltijd
      5.Ik bel vriend
      6. Hij pakt vruchten
      7, Zij knipt de papier
      8.Wij kopen een jas
      9. Jullie reizen naar Polen
      10. Zij ze blaast de kaars
      11. Wij geven cadeau aan oma
      12. Ik miss de huis
      13. Zij loopt met haar honden
      14 Ik denk aan weekend

    • 1. De oma zie een eend.
      2. De jongen speelt het voetbal.
      3. Het meisje tekent een bloem.
      4. De vrouw werkt in een kantoor.
      5. De man kookt de kip.
      6. De opa werkt in de tuin.
      7. Het varken heeft honger.
      8. Anna houdt een hond.
      9. Hij spreekt de Nedelandse taal.
      10. Lodewijk maakt het huiswerk.
      11. De buurman leezt de krant.
      12. Cornelis eet de…Read More

    • 1. De vrouw brengt een boek.
      2. De vrouw leest het boek.
      3. Het meisje heft een boek.
      4. De jongen vertaalt de winkel.
      5. De serveerster dient de middageten.
      6. De kinderen eten de middageten.
      7. De vrouw ruikt de vis.
      8. De man bijt de vis.
      9. De leraar beoordeelt het huiswerk.
      10. De studenten missen een les.
      11.…Read More

    • 1. De man heeft een fiets.
      2. De leraar geeft het huiswerk
      3. De klant dankt de verkoper
      4. De studenten lopen naar het school
      5. De vrouw kookt de pasta
      6. De jongen kiest het voedsel
      7. Hij begrijpt het meisje
      8. De bestuurder geeft het ticket
      9. Het meisje sluit de deur
      10. De jongen wordt ingenieur
      11. De vrouw liegt tegen de man
      12. De…Read More

    • 1. Ik opeen de deur.
      2. Maurice corrigeert het huiswerk.
      3. Hij leest een roman.
      4. Wij helpen de buurvrouw.
      5. Jij zoekt de sleutels.
      6. Zij vindt het boek.
      7. Ik hoor de hond.
      7. U luisteert muziek.
      8. Zij koopt de huis.
      9. Julia verstaat de nederlanse taal.
      10. Zij weet mijn vader.
      11. De vrouw geeft het cadeau.
      12. Ik betaal het…Read More

    • 1.De jongen leest een boek.
      2.Het meisje ziet een auto.
      3.Het kind wil een fiets.
      4.De vrouw schrijft een krant.
      5.De opa geeft het geld.
      6.De oma kokt de maaltijd.
      7.De man vindt een pen.
      8.Maria eet de aardbei.
      9.Sam heeft een tas.
      10.Ima maakt de avondeten.
      11.De buurman schoon de tuin.
      12.Wij pakken de bloemen.
      13.Ik draag een trui.
      14.Oom…Read More

    • 1. De docent helpt de leerlingen.
      2. De monteur repareert auto’s.
      3. The klasgenoten werken samen in het weekend.
      4. De vrienden hebben een feestje.
      5. De bakker maakt het goed broads.
      6. De baas beloont de arbeiders.
      7. De auteur publiceert een interssant boek.
      8. De zanger zingt een mooi lied.
      9. De dokter geeft me h…Read More

    • 1. De docent helpt de leerlingen.
      2. De monteur repareert auto’s.
      3. The klasgenoten werken samen in het weekend.
      4. De vrienden hebben een feestje.
      5. De bakker maakt het goed broads.
      6. De baas beloont de arbeiders.
      7. De auteur publiceert een interssant boek.
      8. De zanger zingt een mooi lied.
      9. De dokter geeft me het medicijn.
      10. De jongen t…Read More

    • 1. De man maakt een boterham.
      2. De leerar geeft de les.
      3. De buurman koopt het huis.
      4. De buurvrouw verkoopt het huis.
      5. De student heeft huiswerk.
      6. Het kind drinkt sap.
      7. De vrind eet het broodje.
      8. De leidinggevende geeft een taak.
      9. De auteur schrift een boek.
      10. De werknemer doet werk.
      11. De collega leent geld.
      12. De baas belooft…Read More

    • 1. De jongen drinkt water.
      2. Het huis heeft de deur.
      3. Het meisje vindt een kat.
      4. De kat heeft een staart.
      5. De oma luistert naar de radio.
      6. Mensen wachten op de bus.
      7. Een kind praat met een leraar.
      8. Wij lopen naar de winkel.
      9. Peter drinkt het sap.
      10. De jongen snijedt het papier.

    • 1- de Man bouwt een huis.
      2- het meijse eet de boterham.
      3- de jongens spelen met de voetbal.
      4- de leraar spreekt de nederlandse taal.
      5- de vrouwen gaan naar de winkel.
      6- de buurman maakt de tuin schoon.
      7- de leidinggevende geeft de toespraak.
      8- de collega’s drinken een koffie.
      9- de vrienden gaan naar a film.
      10- de tandarts bezoekt het meijse.

    • 1. De man heeft een auto en een motorfiets.
      2. De vrouw heeft een baan.
      3. Het meisje koopt een fiets en een schooltas.
      4. De buurman geeft een cadeau.
      5. De broer drinkt een sap en eet een taart.
      6. De zus maakt een foto.
      7. De oma schildert een schilderij.
      8. De neef repareert een vloer.
      9. De collega leert een taal.
      10. De baas maakt een…Read More

    • 1. De docent geeft de lessen.
      2. De vrouw neemt een foto.
      3. De vader en de moeder helpen de kinderen.
      4. De kinderen kijken een film.
      5. De oma maakt etetn.
      6. De studenten horen een muzik.
      7. De baas heeft een vrag.
      8. De buurman brengt de tafel.
      9. De collega’s spreeken Nederlands en een andere taal.
      10. Mohsen Paakt het boek.

    • 1. De studenten hebben een klas.
      2. Het meisjes hebben blauw jurk.
      3. Het gezin heeft de hond.
      4. Het familielid hebben een dier.
      5. De vakman rijt een auto.
      6. Mijn vriend spelt met de kinderen
      7. Zij luistert een music.
      8. wij zingen de lied.
      9. De baas heeft mij pen.
      10. Wij begrijpen jau probleem.

    • 1. De man bouwt een huis
      2. Peter heeft een pen
      3. De vrouw drinkt het sap
      4. Anna heeft een klant
      5. Maria opent de winkel.
      6. De jongen heeft een voetbal
      7. Het meisje leest een boek
      8. De kinderen luister naar radio
      9. Rudolf heeft een vriendin
      10. De vrouwen eten soep.

    • 1. De vrouw heeft een fiets.
      2. De buurman heeft een auto.
      3. De jongen drinkt water.
      4. Het meisje kijkt TV.
      5. Het kind heeft een speelgoedauto.
      6. De man schrijft een brief.
      7. De leraar geeft een les.
      8. De vader leest een krant.
      9. De moeder briet een trui.
      10. De broer heeft een pen.
      11. De zus wil een boek.
      12. De oma neemt medicijnen.
      13.…Read More

    • 1. De vrouw koopt een fiets.
      2. De vader wil water.
      3. Het meisje leest het boek.
      4. De hond eet de tas.
      5. De man rijdt de auto.
      6. De vrouwen drinken wijn.
      7. De buurman belt de buurvrouw.
      8. De jongen poetst de slaapkamer.
      9. De meisjes spelen voetbal.
      10. De oma helpt de opa.
      11. De zoon krijgt de bal.
      12. De dochter ziet TV.
      13. De vriend…Read More

    • 1. Het kind heeft een pauze.
      2. De manager leest een boek.
      3. De oma schrijft een brief.
      4. De studenten hebben examens.
      5. De leraar heeft twaalf studenten.
      6. Een collega vraagt de hulp.
      7. De klanten proeven kaas.
      8. Het meisje draagt een broek.
      9. De opa zoekt de sleutels.
      10. De jongen luistert de podcast.
      11. De jongens houden voetbal.
      12.…Read More

    • 1. De man beklimt de berg
      2. De jongens eten de pasta
      3. Het meisje heeft een cadeau
      4. De moeder sluit een raam
      5. De opa kijkt de televisie
      6. De oma helpt de opa
      7. De schilder schildeert de huis
      8. De politieagent helpt de man
      9. De vader is een manager
      10. De collega opent de winkel
      11. De baas geeft geld
      12. De buren maakt een barbecue
      13.…Read More

    • 1. De vrouw leest een boek.
      2. De hond eet het appel.
      3. Het meisje bakt een taart.
      4. De vader drinkt een koffie.
      5. De man heeft een pak.
      6. De buurvrouw rijdt een fiest.
      7. Het kind poetst de kamer.
      8. De student heeft een les.
      9. De collega stuurt een brief.
      10. De oma rijdt een auto.
      11. De vrouwen kopen de boodschappen.
      12. De dochter helpt…Read More

    • 1.De man spelt een gitaar.
      2.De vrouw zingt een lied.
      3.De jongen schrijft een boek.
      4.Het kind drinkt sap.
      5.De buurman rijdt een motorfiet.
      6.De man maakt thee.
      7.Het meisje eet pizza.
      8.De buurvrouw kijkt Netflix.
      9.De jongens spelen een wedstrijd.
      10.Het meisje koopt een trui.

    • 1. De vrouw ziet een kat.
      2. De klanten kopen de auto’s.
      3. De vogel neemt brood.
      4. De buurvrouw kent de hond.
      5. De dochter kookt rijst.
      6. De man betalt een boek.
      7. De collega stuurt het papier.
      8. De studenten stellen vragen.
      9. De jongens kijken de film.
      10. De vader maakt een stoel.
      11. De ouders verliezen een zoon.
      12. De man poetst de…Read More

    • 1. De man heeft een auto.
      2. Het meisje heeft een koelkast.
      3. De jongen rijdt de auto.
      4. De buurman maakt een tafel.
      5. De jongen eet een appel.
      6. De mensen horen een geluid.
      7. Het meisje heeft een bed.
      8. De vrouw ziet een boom.
      9. De ouders schrijven een brief.
      10. De man heeft een bril.
      11. De vrouw eet een boterham.
      12. De kinderen zingen…Read More

    • 1. De vrouw ziet een hond.
      2. De oma kijkt een film.
      3. De vader bedankt de zoon.
      4. Maria waarschuwt de vriend.
      5. Jan kent Bernard.
      6. Victor en Theo volgen de oma.
      7. Julia beschuldigt de buurman.
      8. De man gelooft een vriendin.
      9. De oma hooft Anna.
      10. De vader en de moeder helpen de dochter.
      11. Willem bezoekt de ouders.
      12. Pieter bakt een…Read More

    • 1. De jongen schrijft een brief.
      2. Het meisje hoort een lawaai.
      3. De man koopt een auto.
      4. De moeder kiest een kinderwagen.
      5. Het kind zoekt een bal.
      6. De tante geeft een geschenk.
      7. De oma stuurt een boek.
      8. De vrouw bezoekt een bedrijf.
      9. De opa betaalt het bedrag.
      10. De man verkoopt een product.
      11. De oom tekent een huis.
      12. De zoon…Read More

    • 1. De jongen schrijft een brief.
      2. De vrouw leest een krant.
      3. Het meisje spelt een bal.
      4. De oma kookt de taart.
      5. De leerling lees teen boek.
      6. De klant betaalt de verkoper.
      7. De opa voedt de hond.
      8. De ingenieur bouwt een huis.
      9. De moeder maakt het ontbijt.
      10. De baas helpt de werknemers.

    • 1. De man krijgt een pakket
      2. Het meisje wacht een bus
      3. De jongen sluit een deur
      4. De ouders kijken een film
      5. De broer holdt een stoel
      6. De kind drinkt een thee
      7. De vader betaalt de rekening
      8. De vrouw opent een venster
      9. De kinderen lopen naar een winkel
      10. De oma kookt een maaltijd
      11. De vrouw verkoopt een fiets
      12. De man koopt een…Read More

  • Boek. Pagina 51👍
    Opdracht 5
    Post your answer below:

    48 Comments
    • 1.Maakt Anna een vergadering met collega’s?
      2. Roept Rob naar de winkel?
      3. Hebben jullie een dier?
      4. Heeft een klant tickets?
      5. Is het een bloem of boom?
      6. Heb je een fiets?
      7. Kunt uw een cadeu kopen?
      8. Zoekt Marie een brief?
      9. Maken we het jaarplan?
      10.Moet je de pasta koken?
      11. Luistert Pablo de muziek?
      12. Eet Maria een boterham.

    • 1. Heeft hij een vrag?
      2. Doet zij huiswerk?
      3. Ontwerpt hij de gebouw?
      4. Drink je thee?
      5. Eet jij chili peper?
      6. Les hij de roman?
      7. Weten jullie het nieuws?
      8. Hoor je de liedje?
      9. Leren zij Nederlands?
      10. Speel je piano?
      11. Ontvangen zij de e-mail?
      12. Draagt hij het uniform?

    • 1-Heben jullie een huis?
      2- Heb je een paard?
      3- Hebben ze fietsen?
      4- Heeft hij kinderen?
      5- Drinkt zij een kopje koffie?
      6- Leven we in Nederland?
      7- Werkt hij in het bedrijf?
      8- woonen jullie in het huis?
      9- speel je gitaar?
      10- kook je het avondeten?
      11- Draagt ze het mooie jas?
      12- wacht je op mij?

    • Ben ik een bruid?
      Bent jij een meisje?
      Heb je de zoon?
      Kijkt u de vriendin?
      Heeft hij een kind?
      Is zij een moeder?
      Vindt het de buurvrouw?
      Bedanken wij de oma?
      Begrijpen jullie de opa?
      Liegen zij een vriend?
      Heb u kinderen?
      Heeft zij een hond?

    • 1. Verkoop jij de auto?
      2. Heeft hij broeken?
      3. Doe jij huiswerk?
      4. Belt zij de arts?
      5. Woon jij in het appartement?
      6. Gebruikt u de lepel?
      7. Eet jij boter?
      8. Kies jij een jurk?
      9. Ontmoeten jullie de gasten?
      10. Schilder jij het vloer?
      11. Luisteren zij de radio?
      12. Wandelt hij in het bos?

    • 1. Hebben jullie de lepels?
      2. Lees jij de brief?
      3. Opent hij de deur?
      4. Sluiten wij de raam?
      5. Wordt de rups een vlinder?
      6. Start u de afwashmachinen?
      7. Poetsen zij de kast?
      8. blijf jij en het hotel?
      9. Paaken jullie de sleutels?
      10. Werkt zij in Amsterdam?
      11. Krijgen wij een fiets voor morgen?
      12. Slaant u de maan?

    • 1. Poetsen jullie het huis?
      2. Slaant hij de bal?
      3. Eet zij koek?
      4. Sluiten hij de deur?
      5. Blijven jullie in Eindhoven?
      6. Oefent jij Nederlands?
      7. Vindt jij de jongens?
      8. Verkoopt jij kip?
      9. Helpt jij de oma?
      10. Fiest hij de blouw fiets?
      11. Kijkt jij TV?
      12. Lezen jullie boeken?

    • 1. Werk jij in een ziekenhuis?
      2. Praat zij Nerderlands?
      3. Nemen zij de auto?
      4. Hebben wij de sleutels?
      5. Stuurt hij een briefje?
      6. Willen jullie koffie?
      7. Zie jij de vogel?
      8. Speelt de jongen voetbal?
      9. Verkoopt Anna haar huis?
      10. Betaalt Yan de rekening?
      11. Maakt hij het huiswerk?
      12. Bel jij mij?

    • 1. Belt zij haar moeder?
      2. Kennen jullie de leraar?
      3. Spreekt hij met de baas?
      4. Leest u het boek?
      5. Kook je de rijst?
      6. Verkoopt zij auto’s?
      7. Loopt hij in het park?
      8. Maak je het huiswerk?
      9. Heet zij Anna?
      10. Sturen jullie de brief?
      11. Proeven zij de taart?
      12. Kies je de jurk?

    • 1. Ken jij Philippe?
      2. Spreekt u Nederlands?
      3. Verkoopt zij de auto?
      4. Eten wij het brood?
      5. Opent hij de deur?
      6. Lezen jullie kranten?
      7. Zie ik de kat?
      8. Weet u woorden?
      9. Schrijf jij een brief?
      10. Sluiten zij de doosen?
      11. Eisen zij geld?
      12. Bel ik de politie?

    • 1. Verkoopt zij een fiets?
      2. Rekenen jullie geld?
      3. Spreken zij Nederlands ?
      4. Kookt zij pasta?
      5. Draag jij een trui?
      6. Spelen de kinderen voetballen ?
      7. Zie jij de spinnen ?
      8. Kijk ik een film?

      9.Leggen de bieren ?
      10. Rijden jullie de fietsen?
      11. Maakt de oma brood?
      12.Begint de leraar de les?

    • 1.Is hij een student?
      2.Neemt u de hond?
      3.Vinden zij vlees lekker?
      4.Kenn jij de kind in de supermarkt?
      5.Heeft Dirk een auto?
      6.Kijkt u de film?
      7.Loop jij in de park?
      8.Heeft hij een buurman?
      9.Drinkt de opa koffie?
      10.Bellt zij de huisart?
      11.Ziet u het meisje?
      12.Helpt de oma de kinderen?

    • 1. Eet jij brood?
      2. Volgen zij de leraar?
      3. Heeft u een hond?
      4. Helpt zij de vriendin?
      5 Sturen jullie een brief?
      6. Spelt hij de naam?
      7. Blijf ik thuis?
      8. Open jij de winkel?
      9. Knipt u de haar?
      10. Zie jij melk?
      11. Hort u de kat?
      12. Nemen jullie de kopje?

    • Hebt jij een boek?
      Kunt je horen een hond?
      Kijkt is hij een man?
      Heeft u een kind?
      Hebt je een fiets?
      Belt hij de oppas?
      Wat is hij neemt?
      Heeft zij een hond?
      Lachen om een geit?
      Zij heeben een thuis

    • 1. Nemen wij de bus?
      2. Help jij een collega?
      3. Knip hij papier?
      4. Kopen zij een fiets?
      5. Verkopen jullie de auto?
      6. Eten wij het brood?
      7. Ken ik de vrouw?
      8. Spelen zij voetbal?
      9. Kookt zij een aardappel?
      10. Bellen jullie de buurman?
      11. Maken zij de pasta?
      12. Drink jij koffie?

    • 1. Heb ik een kind?
      2. Heb jij een tafel?
      3. Heb u een hond?
      4. Heeft hij een oma?
      5. Heeft zij een auto?
      6. Werken wij thuis?
      7. Is hij een student?
      8. Zijn wij artsen?
      9. Koopt zij een huis?
      10. Leest hij een boek?
      11. Vindt zij de hond?
      12. Is zij een moeder?

    • 1. Werkt hij vandaag?
      2. Sluiten jullie de deur?
      3. Heeft zij vakantie?
      4. Vind jij de hond?
      5. Bedanken jullie de vrouw?
      6. Zoeken zij het huis?
      7. Luistert zij de radio?
      8. Krijgen wij de appels?
      9. Leest hij het boek?
      10. Proeft u de bitterballen?
      11. Helpen jullie de kinderen?
      12. Stuenen zij de gezin?

    • 1. Hebben jullie dieren?
      2. Leer jij Nederlands?
      3. Kopen wij broodjes?
      4. Drink ik koffie?
      5. Blaft de hond?
      6. Rijden zij een auto?
      7. Is de man werkloos?
      8. Spelen de kinderen?
      9. Eet jij een boterham?
      10. Help jij de man?
      11. Gaan de studenten naar Universiteit?
      12. Drinken jullie iets?

    • 1. Eten jullie brood?
      2. Mak ik het huiswerk?
      3. Kokt zij rijs?
      4. Begrijp ik de probleem?
      5. Poetsen zij de keuken?
      6. Ben jij gelukkig?
      7. Ga jij naar Italie?
      8. Krijgt zij een auto?
      9. Heb ik tickets?
      10. Schrijven jullie brieven?
      11. Leest u de krant?
      12. Hoor jij het nieuws?

    • 1- Hebben jullie werk?
      2- verliees je een pen met mij ?
      3- heb je kat or hond?
      4- rijden jullie mij bus ?
      5- Kookt zij pasta of pizza?
      6- ken je het land ?
      7- drinken zij de sap ?
      8- heb je de bal?
      9- spellen jullie met mij ?
      10 -bezoeken jullie hem ?

    • 1. Ben jij de klant?
      2. Heb jij een pen?
      3. Eten Phillipe en Anna de boterham?
      4. Begrijpen jullie de uitleg?
      5. Stuurt jij het geld?
      6. Praat Simon met Anna?
      7. Verkop hij het kaartje?
      8. Slaapt Anna in de slaapkamer?
      9. Kopt Phillipe een auto?
      10. Maak jij ontebij?
      11. Nemen jullie de bloemen?
      12. Werkt hij in de winkel?

    • 1. Brengt zij een boek?
      2. Leest hij het boek?
      3. Heb jij een boek?
      4. Vertaalt ik de winkel?
      5. Dienen jullie de middageten?
      6. Eten zij de middageten?
      7. Ruik jij de vis?
      8. Bijt hij de vis?
      9. Beoordeelt hij het huiswerk?
      10. Missen wij een les?
      11. Vergeet jij de huiswerk?
      12. Studeren wij het boek?

    • 1. Heeft u een fiets?
      2. Ruikt u de bloem?
      3. Troost jij je vriend?
      4. Bezoekt ik het huis?
      5. Sturt zij de brief?
      6. Ontvangt Anna het geschenk?
      7. bedreigt de hond de jongen?
      8. overtuigen de winkelier de klant?
      9. beschuldigt het meisje haar vriend?
      10. Vervangt Eduard de computer?
      11. bijt de mug je?
      12. Bellen de collega’s jullie?

    • 1. Maakt ze het huis schoon?
      2. Hebben wij examen?
      3. Spreek je Engels?
      4. Heb je zin in koffie?
      5. Doet hij huiswerk?
      6. Studeert hij engels?
      7. Rent hij na de klas?
      8. Bouwen ze het huis?
      9. Werkt ze op zaterdag?
      10. Speelt hij met de mobiele telefoon?
      11. Gaan ze naar de bioscoop?
      12. Wassen wij de kleren?

    • 1.Pakken zij de vis?
      2.Heb jij een kind?
      3.Leest hij de krant?
      4.Hoort zij de olifant?
      5.Zie jij de neushoorn?
      6.Heeft hij een fiets?
      7.Eten jullie de pasta?
      8.Maakt zij de rijst?
      9.Kok jij de ontbijt?
      10.Schrijven wij het boek?
      11.Helpen wij de oma?
      12.Vinden zij het meisje?

    • 1. Hebben zij kinderen?
      2. Is hij leerar?
      3. Maak jij een boterham?
      4. Rijdt zij de BMW?
      5. Eet Victor groente?
      6. Lees jij de krant?
      7. Is het negen uur?
      8. Leren wij Nederlands?
      9. Voelt hij de pijn?
      10. Vindt zij geld?
      11. Drink jij koffie?
      12. Is Karel de klant?

    • 1. Drink jij koffie?
      2. Is Anna een klant?
      3. Krijgt hij het salaris?
      4. Heben jullie een auto?
      5. Kijkt zij de film?
      6. Open jij de winkel?
      7. Helpen jullie de collega?
      8. Lopen wij naar het ziekenhuis?
      9. Draagt Maria een jas?
      10. Kom jij met ons?
      11. Spreekt Eduard Nederlands?
      12. Lezen jullie het boek?

    • 1. Accepteert de winkel creditcards?
      2. Neemt hij de sleutels?
      3. Shoonmaakt jij de fornuis?
      4. Lenen jullie de vork?
      5. Kilmt zij de berg?
      6. Heeft de vliegveld veel vliegtuigen?
      7. Houden kinderen van snoepjes?
      8. Vergeten zij de verhaal?
      9. Bespreken jullie het nieuws?
      10. Onderwijst hij Russisch?
      11. Betalen wij de prijs?
      12. Heeft het huis…Read More

    • 1. Heb jij een auto?
      2. Spreken wij Nederlands?
      3. Rijden jullie auto?
      4. Luister jij naar een radio?
      5. Wacht hij op groen?
      6. Neemt Peter een bus?
      7. Koop je het huis?
      8. Leest Thijs een boek?
      9. Kookt oma een kip?
      10. Ben jij een kind?
      11. Drinkt Theo een biertje?
      12. Draagt ​​Anna een rok?

    • 1. Wordt hij een huisarts
      2. begrijpt ze de concepten
      3. lijk jij de clown
      4. Snijdt de moeder groente
      5. Luisteren jullie de muziek
      6. Teken ik een schilderij
      7. Branden wij het hout/bos
      8. Poetsen ze de muren
      9. sturt Peter de envelopen
      10. betalen spelers de rekening
      11. Probeer ik de laars
      12. Pak jij een hoed

    • 1. Rijdt hij een auto?
      2. Praat zij Nederlands?
      3. Kennen wij jou?
      4. Maken zij eten?
      5.Heb jij een kat of een hond?
      6. Less jij een krant?
      7. Nemen zij een medicijn?
      8. Rijdt hij een fiets of een auto.
      9. Kopen zij het vlees?
      10. Vind jij een jurk?
      11. Zendt hij een brief?
      12. Kan jij zwemmen?

    • 1- bouw jij de huis?.
      2- eet zij de boterham?
      3- spelen zij voetbal?
      4- spreekt hij de nederlandse taal?
      5- gaan zij naar de winkel?
      6- maakt hij de tuin schoon?
      7- geeft hij een toespraak?
      8- drinken zij een koffie?
      9- gaan zij naar de film?
      10- bezoek jij het meijse?
      11- volgen jullie de regels?
      12- hebt u een ogenblik?

    • 1. Rij je een auto?
      2. slapen wij op de huis?
      3. zoek je pennen?
      4. zingen kindered een lied?
      5. bouwen de arbeider een huis?
      6. Gebruiken jullie een waskamer?
      7. Liefde je deze boeken?
      8. Betal je voor voedsel?
      9. Lezt jij een boek?

    • 1. Ben jij getrouwd?
      2. Hebben zij kinderen?
      3. Drinkt Anna koffie?
      4. Werk jij thuis?
      5. Spreekt hij Nederlands?
      6. Heeft Eduard een vriendin?
      7. Verkopen jullie batterijen?
      8. Heeft zij een huisdier?
      9. Vindt u het geld?
      10. Bent u een huisarts?
      11. Schrijft Hendrik een brief?
      12. Heb jij werk?

    • 1. Drink je thee?
      2. Hebben jullie een auto?
      3. Wil David wandelen met de hondjes?
      4. Kopen wij brood?
      5. Spreekt u Nederlands?
      6. Heeft zij een fiets?
      7. Openen zij de winkel?
      8. Kijkt hij de film?
      9. Ziet u de leraar?
      10. Knippen de kinderen papieren?
      11. Zijn zij studenten?
      12. Eten jullie boterhammen?

    • 1. Drink jij melk?
      2. Eet jij brood?
      3. Werkt hij thuis?
      4. Heeft U vis?
      5. Hebben jullie een winkel?
      6. Heeft maria een hond?
      7. Helpt Anna de klant?
      8. Heb jij een auto?
      9. Hebben wij de tickets?
      10. Zijn zij de studenten?

    • 1. Gebruikt u de medicijnen?
      2. Geeft jij een bal?
      3. Draagt u de pak?
      4. Poetst jij de woonkamer?
      5. Openen jij een bedrijf?
      6. Heb jij grootouders?
      7. Hebben jullie een kat?
      8. Rijd jij de trein?
      9. Werkt hij in een winkel?
      10. Vragen wij de buurman om hulp?
      11. Heeft u een Nederlands paspoort?
      12. Heeft u pizza?

    • 1. Maakt u brood?
      2. Lees jij het boek?
      3. Hebben jullie honden?
      4. Krijg jij een tas?
      5. Speel jij voetbal?
      6. Koopt u fruit?
      7. Drinken jullie wijn?
      8. Hebben wij geld?
      9. Geeft u water?
      10. Helpen jullie de oma?
      11. Vind jij de kat?
      12. Luisteren jullie de schapen?

    • 1. Kookt jij de pasta?
      2. Knipt zij het papier?
      3. Verkopen jullie het huis?
      4. Spelen wij de bordspel?
      5. Eet hij de stampot?
      6. Belt u de moeder?
      7. Geeft zij het boek?
      8. Opent hij de deur?
      9. Fietst zij?
      10. Krijgen zij het cadeau?
      11. Betaal jij de boodschappen?
      12. Spellen wij de woord?

    • 1. Heb jij huisdieren?
      2. Bent u een huisarts?
      3. Spellen jullie het woord?
      4. Kookt u pasta?
      5. Lezen wij een boek?
      6. Drink jij koffie?
      7. Betalen zij de rekening?
      8. Koopt hij de boodschappen?
      9. Helpen wij de opa?
      10. Hebben zij geld?
      11. Gebruikt zij de pen?
      12. Spelen jullie voetbal?

    • 1.Hebben wij een vergadering?
      2.Hebben zij een kat?
      3.Speelt hij een gitaar?
      4.Maak jij thee?
      5.Koop jij een trui?
      6.Kijk jij Netflix?
      7.Heb jij een huis?
      8.Drinkt jij bier?
      9.Kijkt hij een film?
      10.Heb jij een huisdieren?
      11.Spelen zij een wedstrijd?
      12.Maak jij pasta?

    • 1. Verkoopt hij het huis?
      2. Kook jij avondeten?
      3. Eten jullie de pasta?
      4. Belt zij haar moeder?
      5. Geef ik een menu?
      6. Zien wij de kinderen?
      7. Luister ik de radio?
      8. Sluit u de deur?
      9. Brandt hij het boek?
      10. Lees jij kranten?
      11. Zoekt zij het huis?
      12. Drinken zij water of sap?

    • 1. Bel ik jou?
      2. Eten jullie een appel?
      3. Sluit u de deuren ?
      4. Drinken jullie de melk?
      5. Melk jij de koe?
      6. rijd je de auto?
      7. Lezen zij een boek?
      8. Heb jij een snor?
      9. Ben jij een man?
      10. Hebben jullie kinder?
      11. Volgen jullie mij?
      12. Heeft u een hond?

    • 1. Kent hij de vrouw?
      2. Volg jij een paard?
      3. Stuurt zij een brief?
      4. Bezoeken jullie de buurman?
      5. Zoekt hij werk?
      6. Ontsla jij de werknemer?
      7. Sla ik een vriend?
      8. Kust de moeder de zoon?
      9. Reken jij geld?
      10. Mis hij een vriendin?
      11. Verlaten jullie het gebouw?
      12. Ontvangt zij een geschenk?

    • 1. Helpt zij de collega?
      2. Rennen zij een marathon?
      3. Kies jij een huis?
      4. Tekent hij een afbeelding?
      5. Verkopen jullie een auto?
      6. Vraag ik een vriend?
      7. Maakt u een huiswerk?
      8. Spreek jij Nederlandse?
      9. Mist hij de vriendin?
      10. Lees jij het boek?
      11. Verliest zij een hond?
      12. Knipt u haar?

    • 1. Heb jij een laptop?
      2. Heeft zij een kat?
      3. Heb jij oma?
      4. Neem jij de bus?
      5. Kook jij de taart?
      6. Eten jullie een boterham?
      7. Spreekt jij Amharic?
      8. Heeft jij een fiets?
      9. Kijk u een schaap?
      10. Heb jij kinderen?

  • Load More Posts