• Dutchbook huiswerk:👍
    Boek. Pagina 184
    Opdracht 2
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    1 Comment
    • 1. Hij zal zich over mij afvragen.
      2. Je moet je gedragen als een baas.
      3. Iedereen moet zich inspannen.
      4. Zij zullen zich verheugen.
      5. Jij hebben je verspreekt.
      6. Ik bemoei me in hem werk.
      7. We moeten ons haasten!
      8. Hij schaamt zich voor zijn ouders.
      9. Ik kan me geen nieuwe fiets veroorloven.
      10. Het station bevindt zich in centrum.
      11.…Read More

  • Boek. Pagina 39👍
    Opdrachten 1, 2, 3.
    Post your answers below:
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    16 Comments
    • Opdrachten:
      1.
      1. Ik heb een laptop
      2. Hij heeft een auto
      3. Ze hebben een prittig huis met bloemen
      4. We hebben een les morgen
      5. We zijn studenten
      6. Zij is boos
      7. Jullie hebben een grote tuin
      8. Ik hou de ijs
      9. We houden de rozen
      10. Zij kopen een huis

      2.
      1. Ik heb een kat.
      2. Mijn broer heeft een hond.
      3. Hij is dol op de koeie.
      4. Julie…Read More

    • Opdracht 1
      1. Hij vangt de bal.
      2.Hij stelt een vraag.
      3. Zij beantwoordt de vraag.
      4. We luisteren naar de antwoorden.
      5. Hij kiest een broek.
      6. We sluiten het venster.
      7. We eten een broodje.
      8. Ze dansen de wals.
      9. Je speelt een spelletje.
      10. Hij rijdt in een auto.

      Opdracht 2

      1. Fleur speelt met de kat.
      2. Hij jaagt op een eend.
      3. U…Read More

    • de politie arresteert de moordenaaropdracht 1:
      1. Ik plant een boom.
      2. Jij betaalt de lesgeld.
      3. Hij kookt een maaltijd.
      4. Zij neemt de bus.
      5. Wij houden de geheim.
      6. Jullie veegen de vloer.
      7.Zij schilderen een portret.
      8. Robert pakt het pakket op.
      9. Kasia en ik bakken een cake.
      10. Twan wast kleding.

      opdracht 2:
      1. Ik voer vis.
      2. Jij…Read More

    • Opdracht 1:
      1.Ik koop het huis.
      2.Jij kent de afdeling.
      3. Zij heeft een afspraak.
      4. Jullie houden de rode.
      5. Hij verliet de kamer.
      6. Jij bent een deskundije.
      7. We kennen de winkel.
      8. Hij is de werknemer.
      9.Ik ken het land.
      10.Ik ruik de bloem.

      Opdracht2:
      1. Jullie zien de muizen.
      2. Hij horen de vogel.
      3.Zij hoort de eend.
      4. Jullie horen…Read More

    • 1.
      Ik krijg het bed
      Jij lijkt de telefoon
      Je kijkt naar de televisie
      U vindt de winkel
      Hij heeft de fiets Ik krijg het bed
      Zij zoekt het werk
      Het drinkt het water
      Wij wachten op de zomer
      Jullie tekenen de kamer
      Zij gaan naar het park
      2.
      Ik krijg de koe
      Jij lijkt de hond
      Je kijkt de kat
      U vindt het dier
      Hij heeft de vogel
      Zij zoekt het…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Wij drinken biers.
      2. Mijn oom opent de auto.
      3. Jullie krijgen geld.
      4. Het meisje eet een boterham.
      5. De moeder koopt het huis.
      6. De man rijdt een BMW.
      7. De klant wil de jurk.
      8. De vader leest de krant.
      9. De kinderen openen de cadeau.
      10. Ik sluit de deur.

      Opdracht 2:
      1. Wij kijken een muis.
      2. De jongen luistert de…Read More

    • 1. Hij neemt de bus.
      2. Ik koop een fiets.
      3. Wij verkopen een auto.
      4. Ik lees het boek.
      5. Ze kijkt de film.
      6. Jullie koken de pasta.
      7. Ik drink koffie.
      8. Jij eet brood.
      9. Wij hebben een huis.
      10. Ik knipp het papier.

      1. We hebben twee honden.
      2. Ik help de olifanten.
      3. Hij ziet de schildpadden.
      4. Ik hoor de vogels.
      5. Ik zwem met de…Read More

    • Opdrachten 1.
      1. Ik loop naar werk
      2. Ik ga op vacantie
      3. Jij schrift een brief
      4. U helpt klanten
      5. De man rijdt een auto
      6. De moeder maakt het ontbijt
      7. Zij werkt in een school
      8. Wij zoeken online
      9. Jullie willen koffie
      10. Zij kopen een appartement

      Opdracht 2.
      1. Ik heb een vis
      2. Jij loopt met de hond
      3. U woont met twee katten
      4. De…Read More

    • Opdracht #1:
      1. Het konijn eet een wortel.
      2. Je pakt de kamera.
      3. Sandra en Colette maken de pizza.
      4. Wij fietsen in Nuenen.
      5. Ik ken de snelweg.
      6. De man knipt het haar.
      7. Zij verwachten de show.
      8. Hij verandert de shoenen.
      9. Jullie vinden de zonnebril.
      10. Wij koken in de keuken.…Read More

    • Opdracht #1:
      1. Het konijn eet een wortel.
      2. Je pakt de kamera.
      3. Sandra en Colette maken de pizza.
      4. Wij fietsen in Nuenen.
      5. Ik ken de snelweg.
      6. De man knipt het haar.
      7. Zij verwachten de show.
      8. Hij verandert de shoenen.
      9. Jullie vinden de zonnebril.
      10. Wij koken in de…Read More

    • Opdrachten 1.
      1. Ik loop naar werk
      2. Ik ga op vacantie
      3. Jij schrift een brief
      4. U helpt klanten
      5. De man rijdt een auto
      6. De moeder maakt het ontbijt
      7. Zij werkt in een school
      8. Wij zoeken online
      9. Jullie willen koffie
      10. Zij kopen een appartement

      Opdracht 2.
      1. Ik heb een vis
      2. Jij loopt met de hond
      3. U woont met twee katten
      4. De…Read More

  • Boek. Pagina 95👍
    Opdracht 4
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    9 Comments
    • 1. Hij werkt niet.
      2. Jullie wachten niet.
      3. Ze koken hetmiddageten niet.
      4. Jullie hebben het huis niet.
      5. Anton is getrowd niet.
      6. Maria schildert haar niet.
      7. Dit eend heeft de bruine vacht.
      8. Ze slept niet.
      9. Jullie kopen de auto niet.
      10. Zij zoekt het niet.

    • 1. Zij koopt het blauwe huis niet.
      2. Hij leest niet.
      3. Julia lacht niet
      4. Hij verwachtte dit resultaat niet
      5 We fietsen niet
      6. Jullie staan niet
      7. Paul heeft het boek niet.
      8. We blijven niet thuis.
      9. Jij wandelt niet.
      10. U belt niet.

    • 1. Ik weet het niet.
      2. Jij eet thuis niet.
      3. Hij zwemt niet.
      4. Zij komt niet.
      5. Wij wonen in de stad niet.
      6. Zij vechten niet.
      7. Jullie zien het stoplicht niet.
      8.Wij begrijpen de verhaal niet.
      9 Jan gaat niet naar de supermarkt.
      10 Robert fietst niet.

    • Ik werk niet
      Jij helpt niet
      Je zal niet
      U hebt niet
      Hij wil niet
      Zij poetst niet
      Het tekent niet
      Wij vinden niet
      Jullie gaan niet
      Zij worden niet

    • 1. Ik weet het niet.
      2. Jij eet thuis niet.
      3. Hij zwemt niet.
      4. Zij komt niet.
      5. Wij wonen in de stad niet.
      6. Zij vechten niet.
      7. Jullie zien het stoplicht niet.
      8.Wij begrijpen de verhaal niet.
      9 Jan gaat niet naar de supermarkt.
      10 Robert fietst niet.

    • ik ga niet
      hij werkt niet
      jullie schrijven niet
      wij verliezen niet
      jij komt niet
      ik koop niet
      wij zwemmen niet
      zij kikijen niet
      jullie tekenen niet
      ik verander niet
      ik begrijp niet

    • 1. Ik heb niet.
      2. Hij helpt niet.
      3. Jullie koken niet.
      4. Zij sluit niet.
      5. Wij kijken niet.
      6. U spellen niet.
      7. Zij eten niet.
      8. Jij bedankt niet.
      9. Izaak en Anna wandelen niet.
      10. Zij rijdt niet.

    • 1. Ik zing niet
      2. Jij danst niet
      3. U helpt niet
      4. Hij maakt de ontbijt niet
      5. Zij rijdt de auto niet
      6. De jongen eet de groente niet
      7. De opa openen do deur niet
      8. Wij scrijven de brief niet
      9. Jullie fietsen niet
      10. Zij hebben de sleutels niet

    • 1:Hij fietst niet

      2: U zwemt niet

      3: Ik ga niet naar de Winkel

      4: Simon kookt niet

      5. Maria drinkt niet

      6: hij denkt niet veel

      7: Zij begrijpt niet

      8: ik poets niet

      9: Jij belt niet

      10: Ik ken hem niet

  • Load More Posts