• Boek. Pagina 39👍
    Opdrachten 1, 2, 3.
    Post your answers below:
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    23 Comments
    • Opdrachten:
      1.
      1. Ik heb een laptop
      2. Hij heeft een auto
      3. Ze hebben een prittig huis met bloemen
      4. We hebben een les morgen
      5. We zijn studenten
      6. Zij is boos
      7. Jullie hebben een grote tuin
      8. Ik hou de ijs
      9. We houden de rozen
      10. Zij kopen een huis

      2.
      1. Ik heb een kat.
      2. Mijn broer heeft een hond.
      3. Hij is dol op de koeie.
      4. Julie…Read More

    • Opdracht 1
      1. Hij vangt de bal.
      2.Hij stelt een vraag.
      3. Zij beantwoordt de vraag.
      4. We luisteren naar de antwoorden.
      5. Hij kiest een broek.
      6. We sluiten het venster.
      7. We eten een broodje.
      8. Ze dansen de wals.
      9. Je speelt een spelletje.
      10. Hij rijdt in een auto.

      Opdracht 2

      1. Fleur speelt met de kat.
      2. Hij jaagt op een eend.
      3. U…Read More

    • de politie arresteert de moordenaaropdracht 1:
      1. Ik plant een boom.
      2. Jij betaalt de lesgeld.
      3. Hij kookt een maaltijd.
      4. Zij neemt de bus.
      5. Wij houden de geheim.
      6. Jullie veegen de vloer.
      7.Zij schilderen een portret.
      8. Robert pakt het pakket op.
      9. Kasia en ik bakken een cake.
      10. Twan wast kleding.

      opdracht 2:
      1. Ik voer vis.
      2. Jij…Read More

    • Opdracht 1:
      1.Ik koop het huis.
      2.Jij kent de afdeling.
      3. Zij heeft een afspraak.
      4. Jullie houden de rode.
      5. Hij verliet de kamer.
      6. Jij bent een deskundije.
      7. We kennen de winkel.
      8. Hij is de werknemer.
      9.Ik ken het land.
      10.Ik ruik de bloem.

      Opdracht2:
      1. Jullie zien de muizen.
      2. Hij horen de vogel.
      3.Zij hoort de eend.
      4. Jullie horen…Read More

    • 1.
      Ik krijg het bed
      Jij lijkt de telefoon
      Je kijkt naar de televisie
      U vindt de winkel
      Hij heeft de fiets Ik krijg het bed
      Zij zoekt het werk
      Het drinkt het water
      Wij wachten op de zomer
      Jullie tekenen de kamer
      Zij gaan naar het park
      2.
      Ik krijg de koe
      Jij lijkt de hond
      Je kijkt de kat
      U vindt het dier
      Hij heeft de vogel
      Zij zoekt het…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Wij drinken biers.
      2. Mijn oom opent de auto.
      3. Jullie krijgen geld.
      4. Het meisje eet een boterham.
      5. De moeder koopt het huis.
      6. De man rijdt een BMW.
      7. De klant wil de jurk.
      8. De vader leest de krant.
      9. De kinderen openen de cadeau.
      10. Ik sluit de deur.

      Opdracht 2:
      1. Wij kijken een muis.
      2. De jongen luistert de…Read More

    • 1. Hij neemt de bus.
      2. Ik koop een fiets.
      3. Wij verkopen een auto.
      4. Ik lees het boek.
      5. Ze kijkt de film.
      6. Jullie koken de pasta.
      7. Ik drink koffie.
      8. Jij eet brood.
      9. Wij hebben een huis.
      10. Ik knipp het papier.

      1. We hebben twee honden.
      2. Ik help de olifanten.
      3. Hij ziet de schildpadden.
      4. Ik hoor de vogels.
      5. Ik zwem met de…Read More

    • Opdrachten 1.
      1. Ik loop naar werk
      2. Ik ga op vacantie
      3. Jij schrift een brief
      4. U helpt klanten
      5. De man rijdt een auto
      6. De moeder maakt het ontbijt
      7. Zij werkt in een school
      8. Wij zoeken online
      9. Jullie willen koffie
      10. Zij kopen een appartement

      Opdracht 2.
      1. Ik heb een vis
      2. Jij loopt met de hond
      3. U woont met twee katten
      4. De…Read More

    • Opdracht #1:
      1. Het konijn eet een wortel.
      2. Je pakt de kamera.
      3. Sandra en Colette maken de pizza.
      4. Wij fietsen in Nuenen.
      5. Ik ken de snelweg.
      6. De man knipt het haar.
      7. Zij verwachten de show.
      8. Hij verandert de shoenen.
      9. Jullie vinden de zonnebril.
      10. Wij koken in de keuken.…Read More

    • Opdracht #1:
      1. Het konijn eet een wortel.
      2. Je pakt de kamera.
      3. Sandra en Colette maken de pizza.
      4. Wij fietsen in Nuenen.
      5. Ik ken de snelweg.
      6. De man knipt het haar.
      7. Zij verwachten de show.
      8. Hij verandert de shoenen.
      9. Jullie vinden de zonnebril.
      10. Wij koken in de…Read More

    • Opdrachten 1.
      1. Ik loop naar werk
      2. Ik ga op vacantie
      3. Jij schrift een brief
      4. U helpt klanten
      5. De man rijdt een auto
      6. De moeder maakt het ontbijt
      7. Zij werkt in een school
      8. Wij zoeken online
      9. Jullie willen koffie
      10. Zij kopen een appartement

      Opdracht 2.
      1. Ik heb een vis
      2. Jij loopt met de hond
      3. U woont met twee katten
      4. De…Read More

      • opdracht1:
        1.ik eet een appel
        2.u drinkt de sap
        3.jullie kopen het huis
        4.wij gebruiken de computer
        5.jij stelt een vraag
        6.hij begrijpt de les
        7.zij knipt de papier
        8.ik rijd een auto
        9.zij dragen jurks
        10.ik ken de plaats
        opdracht2:
        1.ik heb een kat
        2.jullie verkopen honden
        3.wij horen de olifant
        4.jij ziet een eend
        5.hij koopt een vogel
        6.zij…Read More

    • Opdrachten 1
      1. Ik dans een muziek.
      2. Ik heb een huis.
      3. Jij studeert het boek.
      4. Jullie krijgen de loon.
      5. Hij draagt de kleren.
      6. Zij heeft een jas.
      7. Maria heeft een kind.
      8. Ik wil een water.
      9. Zij woont in Eindhoven.
      10. Hij heeft een huisdier.

      Opdrachten 2
      1. Ik heb een kat.
      2. Hij is een paard.
      3. Jullie wandelen de paard.
      4. Zij…Read More

    • Op.1
      1. Zij heeft een tas.
      2. ZIj hebben een huis.
      3. Hij krijgt een auto.
      4. Anna shrijft het boek.
      5. Wij eten een ontbijt.
      6. Ik drink sap.
      7. ZIj zijn een gezin.
      8. Jij rijdt een fiets.
      9. Jullie maken een diner
      10. U knipt een taart.

      Op.2
      1. Hij wil een paard.
      2. Ik heb een kat
      3. Wij voeden een hond
      4. Ik zie een koe
      5. Zijn zien…Read More

    • Opdrachten 1:
      1. Zij leende een pen.
      2. Ik heb de bloemen.
      3. Hij kijkt naar de show.
      4. Zij spelen met de mobieltjes.
      5. We namen de kaartjes.
      6. Jij eet de sinaasappel.
      7. Jullie rijden op de fiets.
      8. U hebt de bril.
      9. Ik draag de oorbellen.
      10. Zij heeft het woordenboek.
      Opdrachten 2:
      1. Ik speel met de hond.
      2. Zij voedt de kat.
      3. Hij eet…Read More

    • Opdracht 1.
      1. ik kook een soep
      2. jij speelt een spel
      3. u stuurt een kaartje
      4. hij krijgt de geld
      5. zij sluit de raam
      6. wij branden het toetje
      7. jullie poetst het shoen
      8. zij bedanken de buurman
      9. ik houd koffie
      10. hij opent de deur
      ———————————————
      Opdracht 2.
      1. ik kook een eend
      2. jij heeft een hond
      3. hij…Read More

    • 1. Jullie lezen een verhaal uit.
      2. Zij krijgt een potlood.
      3. Wij luisteren naar de radio.
      4. Hij legt een tapijt.
      5. We schrijven onze vragen op.
      6. Zij gaan naar een bedrijf.
      7. Ik lig op het bed.
      8. Zij tekent een boom.
      9. U wacht op de groen.
      10. Ik koop een pak.
      ****************************************
      1. Wij hebben een konijn.
      2. Jij krijgt…Read More

  • Boek. Pagina 95✍️
    Opdracht 4
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    32 Comments
  • Dutchbook huiswerk (homework):✍️

    1.Ik………naar huis (gaan)
    2.Maurice…….. thuis (werken)
    3.Philippe………naar school (rijden)
    4.U……………..een brief (schrijven)
    5.Jij……………..te veel (denken)
    6.Wij……………groente (kopen)
    7.Hij………….werk (zoeken)
    8.Peter………….TV (kijken)
    9. Maurice en…Read More

    37 Comments
    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philipp geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdtnaar school (rijden)
      4.U schijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe reijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geeft les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik GA naar huis (gaan)
      2.Maurice WERKT thuis (werken)
      3.Philippe RIJDT naar school (rijden)
      4.U SCHRIJFT een brief (schrijven)
      5.Jij DENKT te veel (denken)
      6.Wij KOPEN groente (kopen)
      7.Hij ZOEKT werk (zoeken)
      8.Peter KIJKT TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe GEVEN les (geven)
      10.Ik MAAK huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijvt een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice and Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

  • Load More Posts